Tijdens de avondlijke snoepmarathon kon ik het meisje Stephanie bestuderen. Ik bewonder Davids keus.
Ze is knap en zeer welgevormd. Ze was goed gekleed en bijzonder verzorgd. Ze is intelligent en geestig. Angstwekkend veel in één vrouw. En zij deed niet zichtbaar verliefd, hoewel haar ogen soms verraadden dat mijn David haar hele hartje bezat. En David greep tijdens het opgewekte doorelkaar gebabbel van de misj-poge zijn kans.
‘Heeft u het gezien? Ze draagt lang haar!’ fluisterde hij me toe.
Die moderne ouderwetse David. Gelukkig met een moderne ouderwetse vrouw.
Om twee uur ’s nachts gaf Debbie het eindsignaal.
‘Naar huis, kinderen. Vader is moe. Het was een drukke dag voor hem.’
Ik was niet moe. Maar een vrouw wil soms beslist dat haar Kloris moe is. Waarheen zou ze moeten met haar zorg cn genegenheid? Ik knikte dus maar dat ik wél moe was. Als een falanx stonden de Koerlanders over eind. Chaim nam zijn oom Ruben mee naar Rotterdam. David reed mee in het Simca’tjevan zijn Steffie. Judith bleef logeren. Haar meisjeskamer is nog steeds bij ons intact.
En Salomon besteeg rustig en voldaan de trap naar de logeerkamer. Want Zeus woont bij ons. Goddank.
Voordat Judith naar haar kamer zou gaan kwam ze mij een nachtzoen brengen. Dat was haar kans. Toen ze haar wang even tegen de mijne vlijde fluisterde ik:
‘Hij komt.’
Ze snikte opeens en beet in mijn schouder. Geheel van streek.
163