De Engel des Heren was weer terug naast mijn stoel. Hij vond het blijkbaar bijzonder belangrijk om me bij de start nog even op de schouder te kloppen. Hij zei: ‘Marcus Koerlander, uw huisvrouw is volgzaam en vol verwachting. Stel nu voor . . .’
‘Ik zou Eretz ook wel eens willen zien. Men hoort zoveel fascinerends over de opbouw.’
‘Van mij mag je wel gaan. Een gezonde man moet er eens uit. Wat jij, Agnes?’
‘Ik zou niet zolang zonder James kunnen zijn,’ antwoordde Agnes en rinkelde een beetje door het idee haar James een poosje uit het oog te moeten verliezen.
‘Och, zo’n paar weken,’ theaterde Debbie, ‘die zijn zo om. En ik heb toch mijn kinderen hier? Als Mare wil gaan, nah, dan mazzel en broche.’
James houdt veel van zijn zuster. Deze broederliefde, de whisky, de zalm, de kaas, de paté en de zoutjes maakten hem zo week als was.
‘Mare, kerel, het zal ons een feest zijn wanneer je met ons meevliegt. En amuseren doe je je daar wel terwijl ik werk. Je hebt er beslist nog wel oude kennissen.’
Agnes rinkelde weer, maar ze durfde zich niet openlijk te verzetten. Daarom was het ook niet belangrijk genoeg en bovendien had ze bijna drie glazen Chateau-neuf-du-Pape leeggedronken. De pauselijke wijn bevatte blijkbaar iets van opofferingsgezindheid.
‘Ik zal lief voor je zijn, Mare,’ zei ze schalks, ‘dan mis je Debbie niet zo.’
De Asmodee nam als het weerlicht de vrijgekomen plaats in van de Engel des Heren. Hij zei door mijn mond:
‘Weet wat je zegt, Agnes. Je weet wat het betekent als
D7