een vrouw aanbiedt lief te zijn voor een man.’
‘Dat zou je wel willen, hè, ouwe snoeper!’ riep Agnes. En ze keek zoals een vrouw van Jan Steen uit een van zijn schilderijen.
Debbie herstelde de orde met de zakelijke mededeling
‘Kom, kinderen, drink uit. Ik heb een kom soep voor jullie zoals moeder die maakte.’
James glunderde. Potage a la maman Hildesheimer! Daarmee werden de moeder van Agnes en de moeder van Marcus Koerlander gevloerd. Ave, moeder Hildesheimer, morituri te salutant.
En onder de potage a la maman Hildesheimer werd alles geregeld.
Ik zou definitief meegaan. Op die dag, op dat uur. Ingespoten tegen verschrikkelijke ziekten. Met dit en dat aan kleren. En met zoveel ‘mezomme’. Mezomme. Geld. James had het woord het eerst gezegd. Volkomen jiddisj wakker geschud door de potage a la maman Hildesheimer die hij na twee kommen bejubelde met nog meer jiddisj: ‘Oi, oi, wat een soep! Over je einde! Ik bezweer je, moeder was in de keuken!’
Agnes keek me aan. Eiste een bondgenootschap met de Koerlanders. Tegen het moedercomplex van de Hil-desheimers.
Ik bleef neutraal. Wat is soep waard?
158