behoeften te doen, toen een tonnetje. En nu! Je trekt aan een ketting en het spoelt zo maar weg!’
‘Mare!’ riep Debbie streng.
De gestreelde wetenschap antwoordde mild voor de eerbiedige leek.
‘Kom, kom, Debbie, je moet wat kunnen verdragen in een wetenschappelijk debat.’
Agnes, ook mild door het overvloedige voer, viel haar man bij met:
‘Ja, Debbie. Ik bewonder James altijd om zijn tact en ruime blik in een debat. Hè, James?’
James zou niet durven ontkennen. Hij had in zijn leven geleerd dat Agnes uit niets een daverende ruzie wist te creëren en die dan liet bezweren met een nieuwe japon of iets van goud. Haar rinkelende armbanden waren een reeks gèstolde ruzies. Dus antwoordde James:
‘Dat doe je, Agnes. Je bent een lieve vrouw.’
Dit keer geen goud voor Agnes. Ze behielp zich met een schaaltje rozijnen en amandelen.
Ik keek weer eens naar Debbie. Nu deed ik het met genepen ogen en ik voelde een sardonisch lachje om mijn lippen. Daarbij keek ik nu wat pesterig. Ik zei:
‘Dat is heerlijk, wanneer een man genade heeft kunnen vinden in de ogen van zijn vrouw. Dat wordt steeds zeldzamer.’
Maar Debbie kan me aan, zoals u weet. Ze antwoordde:
‘Hoe weet jij dat? Doe je aan opinie-onderzoek zonder personeel, zonder formulieren, zonder kantoor?’
‘Jij weet niet wat je man doet in zijn vrije tijd. Als ik, Godbewaar, niet voldoende inkomen meer heb maak
D3