‘Wat bedoel je?’ tiep James.
‘Zoals ik zeg. Nog een paar jaar en je kan mee in een ruimteschip.’
Hij was gerustgesteld. Debbie niet. James ging ervoor zitten om op die ruimtevaart in te gaan. Alvorens wetenschappelijk te worden stak hij eerst een sigaar aan.
‘Geloof jij werkelijk dat we daar ooit komen? Geloof jij heus dat een mens daar kan leven? Zonder zuurstof? Alleen maar stof en zelfs geen grassprietje? Kom, Mare, ik dacht dat je meer verstand had.’
‘James, ik heb niet zoveel verstand, vooral niet van dat soort technische gewelddaden. Maar de mannen met de wetenschappelijke brains bereiken toch maar alles. Jij hebt gestudeerd, je bent doctor in de chemie. Ik weet wat jullie in je mars hebben. Daarin geloof ik.’
Ik pauzeerde even om James de gelegenheid te geven wat gewichtiger te gaan zitten. Om hem zijn voorhoofd te laten fronsen en vele malen goedkeurend te knikken. Hij was zo voldaan over mijn eerbied voor de wetenschap dat hij snel de lekkerste bonbon net voor m’n neus uit het schaaltje nam. Duidelijk hoorbaar kauwend zei hij:
‘Ga door, ga door. Ik hoor graag de mening van een verstandige leek.’
‘Jij hebt tenminste een ruime geest, James,’ antwoordde ik. Keek naar Debbie, die met genepen oogleden me in de gaten hield. Ze wist nu zeker dat ik haar lief broertje in de maling nam. Ik vervolgde:
‘Ik zal je verklaren waarom ik vertrouwen in jullie geleerden heb. Eerst hadden we een brandende tak, nu knip je met je vingers, en hoepla, een zee van elektrisch licht. Vroeger hadden we een hoekje grond om onze
152