los, los, Menschü Ik herinnerde me die zin, daarom keek ik blijkbaar wat geërgerd naar de jongelieden.
‘En een beetje vlug!!’ schreeuwde de ander.
‘Rustig, rustig!’ antwoordde ik.
‘En nou opgedonderd anders slepen wij je de wagen daar in,’ schreeuwde die tweede weer.
‘Mag ik weten waarom u me tutoyeert?’ vroeg ik.
‘U verstoorde de orde,’ zei de eerste, blijkbaar nog niet zo lang van de politieschool en nog onder de invloed van een instructiehlm.
‘De orde verstoren? In m’n eentje? En met een pakje zalm en Franse kaas in m’n handen? Kom, wees wijzer, jongeman.’
Ze grepen me aan beide armen onder de oksels. Krampachtig omklemde ik m’n pakjes. Ze duwden me in de richting van de overvalwagen, die z’n gapende muil al open had. Gelukkig ben ik nog een stevige kerel en vast ter been. Ik geloof dat ik nog zo waardig liep als een af gezette vorst.
Bij de geopende muil stond de Engel des Heren.
‘Morgen, Mare Koerlander, mijn verontschuldiging dat ik zo lang niet ben geweest, maar u had me niet nodig. Ook nu is het niet ernstig. Wees kalm en beheerst. Ik heb hier een goede man neergezet. Een kleinzoon van die veldwachter uit Dik Trom. We proberen zoveel mogelijk een beroep in de familie te laten maar in de afgelopen decennia is het zeer teruggelopen. Let goed op uw pakjes en vertel niets aan uw Deborah. Gegroet voor vandaag . . .’
En op de plaats van de Engel des Heren stond een politieman van middelbare leeftijd. Met een rijtje chevrons op de mouw van zijn tuniek. Ik weet niet hoe hoog
148