‘Dan heeft David over honderd jaar geen Kaddisj.’
Verstolen veegde zij een traan weg.
Jiddisje memme. Dat haar David niet zou worden opgevolgd door een voljoodse zoon, die later voor zijn vaders nagedachtenis en zielerust het gebed voor de doden zou kunnen zeggen maakte haar radeloos.
Ik stond op en legde mijn arm om haar schouders en kuste haar weelderige zilverwitte haren. En ik bleef minutenlang staan met m’n lippen op haar hoofdje gedrukt.
Ik heb ze gezien. Hunne Voortreffelijkheden en de geachte afgevaardigden. En ik kwam niet onder de indruk. Mijn ingeboren respect voor de overheid is gedevalueerd zoals alle waarden in de afgelopen decennia.
Ik had al geen grootse indruk van de kundigheden van Zijne Voortreffelijkheid, van Binnenlandse Zaken en nu ik hem heb gezien en gehoord vraag ik me af hoe deze man op deze plaats gekomen is. Mijn negentiende-eeuwse denkwereld verwachtte dat oversten kerels zijn. Anatomisch zullen zij zeker wel aan alle medische eisen voldoen. Maar mannen worden gemaakt door hun geest. Sinds mijn jeugd verwachtte ik ook dat de overheid nooit liegt en kort en bondig mededeelt hoe de zaken staan. Ik wacht nog steeds.
Zijne Voortreffelijkheid, die toezicht houdt op de rechtsbedeling, maakte evenmin indruk. Hij gaf college. Colleges laten het volk onberoerd. Hij snoepte van zich zelf en zoende zich zelf, zoals mijn grootvader dat uitdrukte. Juridisch zal het allemaal wel kloppen, daarvoor is hij getraind in spitsvondigheden. De bewogen mens heb ik gemist.