De afgevaardigden deden hun best. En hun best is schamel. Geen was gezegend met het woord. Zoiets moet men verwachten als een kiesstelsel berust op intriges en rekenkunde. Geen passie, geen welsprekendheid. Geen jonge mannen en vrouwen met een vuurwerk van argumenten. Geen zwiepende zweep om een overheid te tuchtigen voor haar onrijp beleid. Geen enkel woord om die kruimeldieven aan de kaak te stellen. Geen waardering voor de leidingloze politiemannen, die al jaren zonder omlijnde instructie onze orde bewaren. Bravo! les gens d’armes. En vooral geen enkel woord van begrip voor de jeugd. Want de jeugd mist iets. Daaraan zijn onze grootvaders en vaders zeer schuldig.
Twee wereldoorlogen hebben ze op hun geweten. Tweemaal werd de bloem der Europese naties uitgedund. Vóór die twee slachtpartijen verzuimden onze verwekkers sociaal te denken. Zij lieten te grote verschillen bestaan tussen arm en rijk en deden niets tegen de uitbuiting van de economisch zwakkeren.
En zij sliepen in hun kerken. Bemerkten niet dat de priesters van al de religies nooit ingrepen. Deze heren knutselden met woorden, speelden met gewaden en voelden zich als machtigen in hun huiveringwekkende dwingburchten met de dreigende bourdons. Dat was hun ethica. Die van God is heel anders. Die is kristalhelder en simpel samengevat in tien geboden, begrijpelijk voor ieder volwassen mens. Onze jeugd komt niet meer onder de indruk van deze mannen die de godsdienst leerden op een universiteit. Zij geloven niet in zieleherders van nauwelijks dertig jaar. Wel in ouden van dagen, die hard en grimmig werden toegetakeld door het leven. Van hen willen zij wel de eerbied voor
142