dere lotgevallen in het menselijk leven. Die eindigden met de vraag: ‘Wat moet A doen?’ Zo’n hp-geval stond voor me. Wat moet Mare Koerlander doen? Er was maar één antwoord. Verheugd zijn en aanvallen alsof ik in dagen niet gegeten had. Ik maakte er de nodige komedie bij door te neuriën: mm, mm. En Debbie keek verzaligd. Maar de oude wolf leefde nog. Hij zei:
‘Ik dacht dat je zoiets Indisch niet lustte, Debbie?’
‘Ik heb het laatst eens geproefd op de bridge-middag. Ik vond het lekker en ik dacht, ik zal m’n Mare ’ns verrassen.’
Ik hoopte vurig dat haar bridge-vriendinnen niet al te ondernemend en exotisch zouden worden. God behoede me voor vissoep, gebakken slakken, kikkerbille-tjes en buidelratten.
De rest van Debbies menu heb ik weten te overwinnen door tersluiks de heupknopen van mijn pantalon los te maken. En het voornemen de volgende dag niet te ontbijten, noch te lunchen. Hoe ik dat tegenover Debbie zou kunnen verklaren wist ik niet, maar ik rekende op een grandioze brain-wave.
Ik vertelde alles, uitgezonderd van die loempia. Daarvan maakte ik een toostje met appetite-silt.
Mijn Debbie was bijzonder stil geworden na het bericht over Stephanie. Na het dessert vroeg ze plotseling:
‘Is ze een sjikse?’
‘Ik weet het niet, kind. We zullen wel zien.’
‘Waarom heb je niets gevraagd? Zal ik met een christin overweg kunnen? Het zou de eerste keer zijn dat er in onze familie gemengd getrouwd wordt,’ zei ze somber.
‘Ook ’n zorg als hij van haar houdt en het een goede lieve vrouw is.’
140