Zo is het, Ruben. Het lijkt modern, iets nieuws. Maar dat is alleen maar het decor en de techniek. De spelers, de mensen, zijn van alle tijden. Hun gezicht is eeuwig. Al deed Ari den Hcycr modern in dat atelier, hij is in z’n hart de burgerman. Hij wil een vaste broodwinning en een mollige vrouw. Straks, als hij zijn café opent, trekt hij een blauw pak aan met donkerbruine schoenen. Dan draagt hij een wit overhemd en een grijze das. Dan is hij glad geschoren en zijn blonde haren zijn gekamd in een scheiding. Dan loopt hij op zondagmorgen, voor het café weer wordt geopend, naast zijn kloek met de kinderwagen. Dan hangt er een sigaar met een bandje uit zijn mond. Hij banjert nog wel; maar als eeuwenoude burger en hij heeft wat geld op de bank.
Acht uur. Ik was weer thuis. Debbie kwam me tegemoet zoals altijd en liet zich op haar wang zoenen. Die rot-avond was sinds vanmorgen toch voorbij en ze had haar man toch weer terug?
‘En?’ vroeg ze.
‘Alles wel. Ik heb een prettige dag met David beleefd. Kom, dan zal ik je ervan vertellen.’
‘Onder het eten dan. Lekker gezellig natafelen. Heb je honger?’
Ze bracht me naar dc eetkamer en kneep zachtjes en gelukkig in mijn linker bovenarm.
‘Ik ben er zo,’ riep ze, ‘ik heb wat bijzonders vooraf. Dat zal je wel bevallen, want dat hebben we nog nooit gegeten.’
Ik wachtte. Ze kwam vlug. Zette met een glunderend gezicht een schaaltje neer. Met vier loempia’s. Jaren voor de oorlog publiceerde de Haagsche Post bijzon-