je voor ergens een glaasje te drinken en wat te eten. Daarna ga ik naar je moeder. Rijk voor twaalven binnen.’
‘Vader, ik vind het bijzonder prettig dat u gekomen bent. Maar ik had een afspraak om een uur of zes.’
‘Goed, breng me dan naar het station. En ik wens je een prettig etentje met Stephanie.’
‘Vader, u weet toch dat. . .’
Ik onderbrak hem met:
‘Ik weet niets en ik weet alles. Maar vergeet je werk niet.’
Resoluut liep ik naar het atelier om afscheid te nemen van Egbert Jan en de jeugd. Deze vlieger ging niet op. De zeeman stelde zich vierkant voor me op. Met een paar woorden veegde hij resoluut mijn afscheid uit het atelier:
‘Niks d’r fen, meneer Koerlander. Eerst uw glaosje en de fenfaore foor uw bezoek.’
Zo’n twintig paar ogen keken me vragend of onderzoekend aan. De ouwe van David moest eens een keer worden ondergedompeld in de moderne tijd. Die negentiende-eeuwse resten moesten van hem worden afgespoeld.
Ik maakte geen hulpeloos gebaar. Een gast kent zijn plichten tegenover een gastheer. Ik nam plaats in een opvouwbare tuinstoel, de enige in het atelier. De jeugd ging op de grond zitten, Egbert Jan op het midden van een sofa, links en rechts geflankeerd door een sirene. Het matriarchaat en een modinette, die ik nog nauwelijks had opgemerkt, begonnen met het uitdelen van de oorlam. Tot mijn verwondering bezat Egbert Jan voldoende glazen, bestemd voor de juiste drank. In dit opzicht