deur naar de zit-slaapkamer voor me open. Dat doet men in gezelschap van ouden van dagen. Zij zijn een probleem, maar laat ze dat maar niet zo hard voelen.
Egbert Jan keek me aan met de blik van koning Salomo toen de koningin van Sheba zijn paleis en zijn tempel had aanschouwd. Ik herhaalde de woorden van de koningin: ‘De helft is mij niet aangezegd.’ Hij begreep me niet. De balletdanser schoot in de lach, hij stamde blijkbaar uit een bijbels gezin.
Nauwelijks zat ik te wachten op het bacchanaal of de deur werd opengeworpen. De straatdeur staat blijkbaar altijd aan, voor een bedeplaats mogen er geen belemmeringen gelden. En één voor één, zoals de exportdozen zeep van de rolbaan komen, traden vier imitatie-bietels de kamer binnen. Met de elektrische gitaren als stenguns onder de arm en in aanslag.
De begroeting was jubelend. Dit was het einde van de lijdensweg van de vorst. Muziek, dansenl Weg met de politionele actie, de burgemeester, de hoofdcommissaris en Zijne Voortreffelijkheid met het zuinige mondje.
Het werd levée du roi. Egbert Jan kwam overeind zitten, schudde zijn verschrikkelijke manen. Zijn lieve -lingsvrouw, want blijkbaar had hij er zo een, schoot toe. Het groezelige, magere en vurig donkerogige kind knoopte decent onder het beddedek zijn pyjamapanta-lon dicht. En Egbert Jan kon door het matriarchaat opgevangen worden in een kamerjas.
De nep-bietels namen hem in hun midden en openden de stoet naar het atelier. Egbert Jan was genezen. Aan het kapitaal was een martelaar ontrukt.
Ik bleef alleen met David in de zit-slaapkamer achter.
‘Nou, zoon, me dunkt ik heb m’n best gedaan. Ik stel
134