Moet u patat?’ vroeg het matriarchaat.
‘Nee, dank u, juffrouw.’
‘Een ijsje soms?’
‘Dank u.’
‘Een bal gehakt? Of een croquet?’
‘Dank u.’
Ze haalde haar schouders op. Die ouwe van David had maar een beperkte smaak. Van moderne lekkernijen had hij geen benul.
‘Haring!’ beval de zware leenman. Hiermede onderstreepte hij zijn poorterschap van Amsterdam.
Al de vrouwen, ik geloof zes of zeven, verlieten de kamer. We waren weer mannen onder elkaar. Ik maakte hiervan gebruik om te vragen welk beroep ze hadden. De jonge opstandelingen weken niet af van het klassieke patroon. Egbert Jan is schilder, mijn David beeldhouwer, de zwaargebouwde Amsterdammer zeeman, de luiwammes boekhouder. Dan was er nog een medisch student, een timmerman, een technisch tekenaar en een bijzondere artistiekeling die verbonden was aan een ballet.
Terwijl ik knikkend zat te luisteren overdacht ik dat eigenlijk alleen hun kleding en hun haardrachten chaotisch waren. Die kleding was een rommelig mengsel. Volgens de methode van Saartje Vos zou men moeten opdreunen: Men neme ... de inventaris van een Amerikaanse legerdump. Voeg daarbij een flinke scheut uit de ‘Saloon’ van een western-film, bind het geheel met felgekleurde Eton High School, voeg wat toe van baseball en rugby, dan zachtjes sudderen met Italiaanse schoenen, Teutoonse vilthoedjes en de hesjes uit de tijd van de Schoolmeester.
132