gezelschap grinnikte. Ze had blijkbaar een nieuw tijdwoord ontdekt. Ik pil!
De leenman van Gysbreght van Aemstel vond het voor mij te pijnlijk worden. Hij riep:
‘Is d’r niks te zuipen? Al benne we modern, een gast is een gast. Meides, laat je klauwe wapperen!’
De tijd draaide met enorme snelheid terug. Batavie-rentijd, de vrouwen moesten aantreden, om de kruiken met bier voor de mannen neer te zetten. Ze stonden gehoorzaam op, dromden een beetje samen. Een wat ouder meisje met het matriarchaat op haar gezichtje kwam naar het bed en hield haar hand op.
‘Er is niks in huis. Geld, schilder. En wat moet er komen?’
‘Lappen, jongens, ik heb nog maar een paar piek. En jij kijkt maar wat er in die dranktent te koop is. Ik wil cognac,’ besloot Egbert Jan gedecideerd.
De mannen grabbelden in hun zakken naar geld. De uit overtuiging werkeloze boekhouder trok een porte-monnaie uit zijn achterzak. Hij was toch meer boekhouder dan hij zelf vermoedde, vooral toen hij er wat kippig in loerde en met zijn wijsvinger in het geld woelde. Ook ik pakte wat geld uit mijn colbertjasje, maar de leenheer protesteerde.
‘U niet. U bent onze gast. Het zou wat moois worden.’
Ook hier dus niets nieuws. Een gast was voor hem net zo heilig als duizend jaren geleden.
Ik keek naar David, die al die tijd tegen de muur geleund stond en sigaretten rookte. Hij wuifde bezwerend. Geen fout maken; niet uw welgesteldheid tonen. Accepteren, zonder direct en voor het hele gezelschap te willen betalen.