lijk groeiproces omhoog schieten en rijk worden. Op oudere leeftijd zal hij bemerken dat zoiets niet bestaat en dat men met ‘dit kan ik niet en dat verdraag ik niet’ alleen maar hopen kan dat de gemeenschap nog zo humaan blijft om iemand niet te laten verhongeren.
Hij vond dat hij zijn opstandigheid voldoende had gelucht en dat tijd voor ontspanning gekomen was. Hij schikte zich behaaglijk tegen een meisje aan en begon speels en oppervlakkig te vrijen. Zij was direct in, want ze keek intens verliefd naar zijn nietszeggende luie ogen.
Ik wendde me tot de gastheer. Ik was voor hem gekomen en wilde zo zoetjes aan wel vertrekken.
‘Het is zeker een financiële strop voor u om hier ziek te moeten liggen?’ vroeg ik.
‘Nee. Ik heb een uitgever gestrikt voor illustratiewerk. En ik heb voorschot gekregen. Als ik weer op m’n benen sta, werk ik een paar nachten door. Ik ben gebonden aan een levertijd. Maar uw aquarel kom ik toch gauw brengen. Dat is ereschuld. U hebt me m’n zelfvertrouwen teruggegeven.’
‘Daar ben ik blij om, Egbert Jan. Die ouden van dagen zijn dan tenminste ergens goed voor,’ antwoordde ik.
‘Let u maar niet op dat geouwehoer. We kunnen toch niet zonder de vorige generatie. Bovendien zit die op de centen en verdeelt de plaatsen.’
‘Ik geloof niet, dat uw vriend dat bedoelde, Egbert Jan. In de ogen van de jeugd zijn wij een probleem. We gaan niet vlug genoeg dood. Veertig a vijfenveertig jaar is in jullie ogen wel een maximumleeftijd.’
‘Nee, dat is het niet. We willen jullie niet kapotmaken. We komen te laat aan bod, dat is alles.’
129