dat deze jeugd zo dacht, hoogstwaarschijnlijk vergiste ik me toch, want jeugd is niet zachtzinnig. Ik verbrak de stilte.
‘Is een man zoals ik, in jullie ogen uitgeteld?’
Een paar meisjes begonnen te giechelen. Op hun gezichten lag het erotische denken. Hoogstwaarschijnlijk doen ze dat hele dagen door tot aan het moederschap.
‘Nee, dat niet,’ riep een magere jongeman, ‘maar jullie ouwen blijven te lang plakken. We kunnen niet ópschieten. Eer we wat hebben bereikt zijn we aan ons pensioen toe!’
Terwijl hij sprak bekeek ik hem. Een beatle-haardos, een baard, een bril, een zwart jasje, een rode broek met een eenvoudig zwart ruitje, een grijs vest, om de hals een Indiadoek als das. En zijn schoenen vanzelfsprekend van juchtleer en bemodderd. De jeugd van heden poetst nooit zijn schoenen.
Ik antwoordde:
‘Iedereen die wat bereikt heeft is bijna aan het einde. Wat is uw beroep? Of studeert u ook?’
‘Nee, ik heb geen kop om te leren. Ik ben boekhouder, maar nou zonder. Ik kan niet zo goed tegen dat binnen zitten en daar zou het ook veel te lang duren eer ik hogerop ben.’
‘U hebt dus blijkbaar een verkeerd beroep gekozen,’ constateerde ik koeltjes.
‘Misschien wel. Vroeger kon je nog es wat avonturen naar Indië. Of naar het Vreemdelingenlegioen. Of zoiets.’
‘U kunt toch gaan varen? Dan bent u toch buiten?’
‘Nou, hè! Mij niet gezien. Ik kan niet tegen water.’
Die jongeman wilde blijkbaar door een soort natuur-
128