kussen en liet het antwoord over aan zijn ban en achterban. De belangrijkste leenman, een jonge geweldenaar met een baard, een Schots geruit overhemd en spijkerbroek, plaatste zich vierkant voor zijn leenheer. Eén in de bedreigde veste aan de Amstel, zo te horen aan zijn tongval.
‘Naauw, en wet! De terreur fen de streepiesbroekies! Fen de profiteerders fen ons sweet. Fen de reetsitters. Fen de couponnetjes knippers. De heile rotsooi mot uit-geswafeld worde! Alles mot ferandere, nieuw worde!’
‘Zijn jullie daarom zo anders gekleed?’ vroeg ik.
‘Jao. We motte geen geperste broekies meer. We motte geen colbertjes en een vessie meer. We motte wet anders!’
‘Wat?’ vroeg ik nieuwsgierig en geïnteresseerd. Ik was bij de opstandige jeugd terechtgekomen. Een avontuur. Zoiets van Stanley en Livingstone in het geheel onbekende Centraal-Afrika. Maar mijn zakelijke ‘wat’ had dezelfde werking alsof men een kaars uitblaast. Pffft. Van licht in donker.
De koning en zijn hof zwegen. Een meisje had het eerst haar denken wat geordend en antwoordde:
‘Wat? Dat is weer zo’n echte bourgeoisie-vraag om een ander in verlegenheid te brengen. Dat woordje ‘wat’ kunnen we nog niet invullen. We weten alleen dat zoals het nu is, het niet goed, niet leefbaar is. Dat andere, dat nieuwe is onderweg, maar we kunnen het nog niet beschrijven. Maar we zijn wel gereed om het op te vangen.’
Met grote belangstelling keek ik naar dit intelligente gezichtje. Het meisje was ook bekoorlijk en ze zou er bijzonder aantrekkelijk hebben uitgezien als zij heur
126