ik besnuffeld. Wat is dat voor een vent als hij de dokter niet is? Een deurwaarder? Een van Pro Juventute? Een reporter? Een mannetje van Brandpunt of Attentie of Televizier?
Na enig gefluister met David waren ze gerustgesteld. Goed volk. Maar een vent met poen, na Egbert Jans mededeling dat het hem speet mijn bestelling nog niet te hebben geleverd. Maar hij zou het nu toch komen doen. Een paar dagen om te genezen van die ‘oplazers’ die de klassepolitie hem gegeven had. Ik knikte maar. Wat moet een mens anders doen in zo’n geval? Knikken gaat makkelijk en het bespaart iemand om een mening te hebben. Ik werd even negentiende-eeuws met mijn woorden:
‘Een betreurenswaardig misverstand van de politie, veronderstel ik.’
Dat wuifde hij weg met zijn hand en de woorden:
‘Nee, helemaal niet. Ze slaan d’r maar op met hun barbarenklauwen. Potemkin-kozakken! ’
‘Hebt u de film Potemkin gezien? Ik herinner me niet dat er na de oorlog een reprise is geweest.’
‘Ik heb de plaatjes gezien en een beschrijving gelezen. Bovendien zijn er altijd kozakken om het volk neer te sabelen. Het gezag houdt er altijd huurlingen op na van onze belastingcenten.’
‘Zo eenvoudig is het niet, Egbert Jan. Politie en justitie moeten er zijn, anders zijn we overgeleverd aan de terreur van een handjevol.’
Ik verdedigde met deze woorden de bestaande orde.
‘En nu zijn we niet overgeleverd aan de terreur van een handjevol? Kom nou, meneer Koerlander.’
Hij vlijde zijn hoofd behaaglijk neer op het groezelige
125