vriendjes hebbende afgewerkt en in een groot aantal bedden haar vrouwelijkheid aangeboden. Zakelijk vroeg ik:
‘Hoe oud is je Stephanie?’
‘Twintig.’
‘Breng haar thuis.’
Ik keerde me om. Hij greep me bij de schouder, ik voelde zijn kracht en de sterke beeldhouwers vingers.
‘Ik ben geen stijve hark. Ik weet wat een vrouw is, maar om te trouwen wil ik zo’n ouderwetse.’
Ik keek hem aan. Doordringend, geloof ik. En waarom weet ik niet. Ik herhaalde:
‘Breng haar thuis. Ik wil haar ponempie zien. Is dat goed, nah, dan mazzel en broche.’
Ik stak hem m’n hand toe, hij greep die en toonde zich een kleine jongen, want er stonden tranen in z’n ogen.
‘Nog één glaasje vuurwater, zoon. En dan gaan we naar Egbert Jan weet-ik-vcel.’
Ik zat weer in mijn stoel en dronk langzaam de Cam-pari. Volgens de regels door mijn mond.
En ik voelde me na jaren weer eens oud. En vader.
Ik lunchte met m’n zoon. Dat is iets prettigs voor een oude man, lunchen in de stad met een zoon! Mannen van mijn leeftijd kunnen dat begrijpen. Dezelfde vreugde beleven, dezelfde trots voelen zoals ik.
Daarna wandelden wij naar Egbert Jan weet-ik-veel. Om drie uur stapte ik binnen bij de jeugd.
Die jeugd was gehuisvest in ouderdom. David had me onderweg verteld van een verstandige oude dame die een geërfd groot grachtenpand onttrokken had aan de begeerte om winst van een zevental kleine firma’s.
123