pende beurskoers. Het ochtendblad meldde 240, dus 14 punten omhoog sinds verleden week. Het flitste door mijn hoofd dat Salomon nu haast moest gaan maken. David zag blijkbaar mijn gezicht ernstig worden.
‘Wat kijkt u opeens benauwd, vader? Uw bezit is nu toch ook aan het vetter worden?’
‘David, verkoop niets meer. Als je geld nodig hebt, leen dan van rruj. Zijn je stukken in open bewaring?’
‘Ja, waarom?’
‘Als je niet van je vader wilt lenen, kan je bij de bank wat opnemen. Ze hebben overvloedig dekking.’
‘Ik heb nu geen geld meer nodig. Ik ben klaar met installeren. Ik heb er vijf verkocht voor de oude koers van 226. Dat was elf mille,’ zei hij nu ook ernstig, maar een beetje verlegen.
‘Je geld is je geld, jongen. Maar nu niets meer verkopen. Geen stukken Koerlander loslaten.’
‘Goed. Neem het me niet kwalijk, want ik wist van niets.’
‘Over een paar maanden zal ik je opheldering geven.’
Terwijl ik mijn blikken nog even door de slaapkamer liet dwalen, vervolgde ik:
‘Wie is dat meisje? Wat doet ze?’
‘Ze heet Steffie en ze studeert kunstgeschiedenis hier in Amsterdam.’
Omdat mijn blikken nog steeds door die kamer dwaalden riep m’n David opeens geërgerd:
‘En ze slaapt niet bij me. Ze is van dat ouderwetse degelijke en dat vind ik fijn.’
David bloosde en schudde nijdig zijn kop. Ik ben er zeker van dat een gedachte door zijn hoofd flitste. Zijn Steffie niet ouderwets degelijk, reeds een cavalcade
122