man: de sociëteit, die de staf zou breken over de vader van dit krankzinnige paar. God, wat arm was die man!
„Ik heb het u vroeg verteld,” zei hij, op de rustige toon waarmee hij patiënten door een crisis van angst heen kon helpen, „opdat u aan het idee zoudt kunnen wennen. Aan het idee van de scheiding. Het zal misschien nog wel een jaar duren, eer ik alles geleerd heb wat ik leren moet...”
„Jij, die professor had kunnen worden als je gewild had!”
Joseph glimlachte; dus dit was de droom van de oude man: een schoonzoon, die professor was, - mijn schoonzoon, de professor.
„Dat had zo’n vaart nog niet gelopen, dat profes-sor-worden, ook als ik gewild had. Maar nu is het goed, dat ze geen professor van me hebben gemaakt, want anders was het misschien nog moeilijker geweest, de wildernis in te trekken.”
„Het gebeurt nietl” herhaalde de man koppig. „Het gebeurt. Maak van dit jaar gebruik om aan het idee te wennen, opdat Dina dan afscheid kan nemen van een vader, en niet van een vreemde.” „Een vader! Ik zou wel eens willen weten, in welk opzicht ik nog als vader word beschouwd, als een kind haar eigen gang maar gaat. Niets heb ik te vertellen! Niets”
„Maar...” vroeg Joseph onthutst, „hebt u wel eens van vaderliefde gehoord?”
98