plannen rond van filialen in andere provinciesteden. Met zijn gezin, Lina en de beide kinderen, woonde hij niet in de winkelstraat, maar ergens buiten in een soort van villa, met erkertjes, met een rood dak in afdelingen en met één uithoek, die bijna op een torentje leek. Lina lag de welvaart en de tevredenheid op het gezicht te lezen, op het gezicht en in haar kleding, die al terwille van de reclame goed moest zijn.
„Ja,” was één van Sanders leerrijke zinnen, „men hoeft nog geen geleerde te zijn om zijn vrouw en kinderen te kunnen geven wat hun toekomt!” - want de academisch gevormde zwager bleef een onoverwonnen punt in zijn levensbeschouwing, waarin toch overigens alles klopte.
De enkele keren, dat Joseph met Dina en de kinderen in hun stadje waren geweest, hadden ze gelogeerd in het smalle huis op de markt, hoewel er in het huis van Dina’s vader en in Lina’s villa meer ruimte was. De huishoudster van Dina’s vader was wat bang voor de kinderen, omdat ze overal aan kwamen, maar gulle Lina had ze graag bij zich in huis genomen, als Joseph en Dina niet zo onweerstaanbaar naar het winkeltje en zijn bewoners waren aangetrokken. Het waren altijd maar een paar dagen, en met Chaia waren ze nog maar één keer geweest. Nu reisde Joseph alleen.
„Het zal hun hart breken,” dacht hij op de heenreis. „En toch mag dat ons niet tegenhouden.”
Hij ging eerst naar het statige, donkere huis van
94