maar de oude mensen moesten er zo vroeg mogelijk op worden voorbereid.
Josephs hart was zwaar, toen hij naar zijn ouderlijk provinciestadje reisde. Dina’s vader zou zich verzetten, maar dat hinderde zo veel niet; die had zich altijd tegen alles verzet en het had nooit gehinderd, en nu zijn vrouw niet meer leefde en het huis door een keurige huishoudster bestierd werd, was er niets meer, dat hen erheen trok. Maar zijn eigen ouders, die zich zeker niet zouden verzetten...
Het ging hun goed. De zaak had een grote vlucht genomen, sinds Sander, de schoonzoon en deelgenoot, het roer in handen had. Sedert enige jaren al hoefde Joseph niet meer bij te springen; hun werk had zich meer en meer beperkt: ze hielden, op eigen verlangen, hun smalle winkel op het marktplein gaande, wat bijna alleen op de marktdagen een beetje drukte meebracht. Ze woonden nog achter en boven de winkel, al had Sander er herhaaldelijk op aangedrongen, dat ze mooier zouden gaan wonen, zoals hij en zijn gezin. Hij had een winkel opgericht in één van de winkelstraten, met ruiten van spiegelglas en met japonnen, die niet maar zó werden neergelegd, maar die op zwarte bustes achter de spiegelruiten werden tentoongesteld, zodat je, op het ontbrekende hoofd na, zou denken dat er een mens in zat. De winkel was niet het enige; de zaak, met zijn handelsconnecties, reikte over het hele land, en hij liep met
93