in knop staan, en in de herfst zal hij de appels weer op willen rapen.”
„Ja.”
„Zal hij daar ook appels op kunnen rapen?”
„Nee, appels niet. En andere vruchten misschien ook niet, want we zijn nog niet aan vruchten toe. Maar als hij later vruchten op kan rapen, hij en Chaia, dan zijn het %ijn vruchten, - niet de vruchten van bomen, die andere geslachten vóór hem geplant hebben.”
Ze was even stil.
„De mensen zijn hier zo veel van je gaan houden.”
„Ja.”
„Zullen ze daar ook van je houden?”
„Ik weet het niet. Dadelijk nog niet, denk ik.”
„Ik kan niet leven, waar ze niet van je houden.” „In het begin heb je hier ook zo geleefd.”
„Ja, maar dat hebben we nu net overwonnen. Nu houden ze van je.”
„Ja.”
Ze werd opeens ongeduldig.
„Zeg dan, dat het daar ook goed zal zijn!”
„Dat kan ik niet.”
„Waarom wil je er dan heen, als het er niet goed is ?” „Om het goed te maken.”
„Hier is het al goed.”
„Ik wil maken, dat het daar ook al goed is, als de rest van mijn volk er heen komt.”
91