trekken, alsof zijzelf eruit weg was getrokken. Hij trachtte alleen maar haar gezicht in zich op te nemen en niet te denken aan zijn besluit, opdat zijn wens de hare niet zou beïnvloeden. Vrij moest ze zijn, als ze „ja” zei of „nee”.
Ze opende de ogen en in plaats van naar hem keek ze naar de kamer in het zwakke licht: naar de matte glans van het hout der meubelen, naar de balk-zol-dering met zijn schaduwen, naar de welige plooien, waarin de gordijnen neervielen. Hij volgde haar blik niet, nam alleen haar gezicht in zich op en probeerde de gang van haar gedachten te lezen.
Toen ze haar ogen eindelijk op hem richtte, was het met een diepe zucht dat ze zei:
„Het is zo goed hier.”
„Ja, ik weet het.”
„De kinderen zijn hier geboren, - hier, in deze kamer.”
„Ja.”
„In de tuin staan de appelbomen in knop. Ze zullen gauw open gaan en van de herfst zullen ze weer vol goudreinetten zitten.”
„Ja.”
„Michaël zal ze willen oprapen, als ze geschud worden.”
„Dit jaar kan hij het nog, want ik moet nog leren melken.”
„Maar het volgend jaar zullen de appelbomen weer
90