Zijn stem was geladen door de grootheid van het onderwerp, en misschien was het daardoor, dat Dina hem met een wit, verschrikt gezichtje en grote ogen aankeek, de mond geopend tot een vraag, die niet kwam.
„Kom hier, lieveling,” zei hij, zijn hart vol erbarmen om het vele, dat hij van haar moest vragen, en met zijn kin op haar haren vertelde hij het haar: hoe het begonnen was in de nacht, toen de vrouw van de blinde Derkovsky bevallen moest, - hoe het zich in de paar jaren sinds die nacht in hem had vastgezet zonder vorm te geven aan een besluit, - en hoe vandaag het besluit zich plotseling in hem gemeld had.
„Maar het is nog geen besluit. Jouw deel is het zwaarste, en als jij ervoor terugschrikt, is het neen.” Tegen hem aan begon ze zacht te lachen.
„Waar lach je om?” vroeg hij verbaasd.
Het duurde even, eer ze kon zeggen:
„Omdat het geen vrouw is. Ik heb in die paar jaren telkens gedacht, dat het een vrouw was. Toen je begon, nu, dacht ik het weer. Tegen een vrouw had ik niet öp gekund, - tegen een andere vrouw, - maar tegen een ander land kan ik wel op.”
„Dacht je dat het een vrouw was,” vroeg hij, in uiterste verbazing, „een andere vrouw dan jij ? Er is immers geen andere vrouw in de wereld zoals jij? Hoe kwam je dat te denken?”
„Omdat je zweeg, en je zei niet waarover. Denk je,