„Ik meen ook wat ik zeg,” zei Joseph ernstig en met nadruk. „Ik wil leren melken. En jij moet het me leren.”
De boer schudde het hoofd; het drong tot hem door, dat Joseph in volle ernst sprak.
„En goeie dokter mag je dan zijn,” zei hij, „en een best mens ook, - maar een beetje raar ben je wel.” „Ja,” glimlachte Joseph, „een beetje raar ben ik misschien wel, - maar wil je doen, wat ik je vraag?” „Ik wil alles doen,” zei de boer ernstig, „ook een stal voor je bouwen, als het je bedoeling is om eigen vee te houden. Met mijn eigen handen wil ik wel een stal voor je bouwen.”
„Met zijn eigen handen,” vulde de vrouw aan, gelukzalig.
Joseph dacht: „Hoe kan ik ze duidelijk maken, dat ik niet 'bouwen wil, - dat ik niet nog vaster verbonden wil raken aan al dit goede hier? Dat ik alles achter wil laten, - als Dina er toe bereid is? O God, Dina, - wat vraag ik van je!”
„Luister,” zei hij. Ze waren jong, deze mensen, en vol genegenheid, - misschien zouden ze het kunnen begrijpen. Hij zou het ze uitleggen, in hetzelfde ogenblik, dat het in hem gerijpt was en nog éér hij er met Dina over had gesproken, - éér hij wist, of Dina dit offer zou kunnen brengen, - éér hij het besluit in haar handen had gelegd.
„Luister. Het is omdat ik Jood ben en tot het
85