ineengeschrompeld leek. „Ze haalt het, omdat ze jong is en omdat je dokter er zo gauw bij was.” „Haalt ze het?” vroeg de man en begon te huilen. Op de terugweg zat Joseph naast hem op de bok. Het was al vol daglicht, en in dat licht keek Joseph af en toe van opzij naar het witte gezicht naast hem, met de gesloten lippen en de ingespannen turende ogen. Alles in dat gezicht leek samengetrokken op dat éne punt, dat hij beheersen moest: de weg. Zijn handen beheersten de leidsels, de leidsels het paard, het paard de weg. Het leek, of die mond zich nooit meer zou kunnen openen om een woord uit te brengen. Daarom schrok Joseph ervan, toen opeens een vastgeroeste stem naast hem zei:
„Dokter, als ze het haalt, heb jij het gedaan.”
„De chirurg,” zei Joseph.
„Als ze het haalt, heb jij het gedaan,” herhaalde hij koppig. „Als ze het haalt, moet je me zeggen, wat ik voor je mag doen.”
Dat was het laatste en enige woord op die hele tocht.
Ze haalde het. In triomf bracht de jonge boer haar na vele weken naar hun boerderij terug. Nog zwak, zat ze in de hoge stoel met de leer-beklede rug en de eiken armleuningen, toen Joseph naar haar kwam kijken. Ze leek niet veel meer op de blakende jonge vrouw met de ronde, blozende wangen, die hij zich 82