stil en het leek of ze sliep. En in die slaap van het meisje naast hem wist hij te moeten doordringen met gedachten, die op dit ogenblik in hem geboren werden. Hij moest haar winnen voor het leven, zoals hij plotseling gewonnen was voor een leven, dat verder reikte dan zijn eigen pijn.
Hij begon te spreken, zacht en eentonig. Of ze het hoorde, wist hij niet; hij sprak tegen hen tweeën samen, en tegen Dina, die er niet was en die het toch zou weten, ieder woord ervan. Hij had het punt bereikt, waarop het eigen lot in onbelangrijkheid was weggezonken en de dag van vandaag vervaagde tegen de grootheid van wat volgde. Hij zag het eigen lijden als een zandkorrel in de lange kust, waar het lot van zijn volk tegen sloeg met eeuwige branding. Wat nu was, verdween tegen wat geweest was, duizenden jaren, en wat komen zou, in een scherp-afge-tekende toekomst, waar hij zeker van was.
Het leidde ergens heen, al dit verdriet. De vernietiging van het leven van zijn jongen, die de geliefde, de onmisbare geliefde was van het kind naast hem, was kleiner dan de geboorte van wat later kwam. Hij kon opeens onderscheiden tussen klein en groot, tussen het ogenblik en de ketting van ogenblikken, die hem met de toekomst verbond. Het leidde naar iets goeds, en hij zag het met zó grote zekerheid, dat hij de woorden vond om die zekerheid te delen met het meisje, dat hij terug moest halen.
215