„Het zijn maar korte ogenblikken,” zei hij, „waarin we dat kunnen: de toekomst van het geheel be-langrijker zien dan het eigen verdriet. We moeten zuinig zijn op die ogenblikken. We moeten ze opsparen, - want samen maken ze ons leven uit. Samen maken ze het leven uit van jou en je kind.”
Ze hief voor ’t eerst haar gezicht op. Ze keek in de ruimte, alsof ze ergens op wachtte, - ergens naar luisterde: gespannen, aandachtig. Toen keerde ze zich naar Joseph toe.
„Vader,” zei ze, „het kind beweegt.”
216