sinds een maand hun hut was geweest: de woning van twee, die door het ongeboren kind een gezin vormden. Maar in de hut was Tamar niet.
Hij zocht niet in de nederzetting zelf. Zijn instinct dreef hem naar buiten, met zekerheid en haast. Er was geen angst in zijn bewegingen, alleen een grote snelheid, alsof hij zich naar een afgesproken ontmoetingspunt bewoog waar hij bijna het overeengekomen tijdstip zou verzuimen. Langs de Jordaan-oever liep hij scherp turend voort, tegen de stroomrichting in. Tot hij, in het platgebogen riet, een donkere plek zag. Hij wist, dat zij het was. Hij wist, dat hij op tijd het ontmoetingspunt had bereikt.
Hij trad van de weg af tot hij de ineengedoken figuur kon aanraken. Ze bewoog zich niet. Toen zei hij, duidelijk en doordringend ieder woord:
„Het is niet goed, wat je doen wilt.”
Er kwam een schorre lach ergens vandaan, - ver weg leek het, - en de nauwelijks verstaanbare woorden, die toch door hem werden opgevangen:
„Ik durf niet eens.”
„Kind,” zei hij, en zette zich naast haar tussen het riet. Ze begon opeens, bijtend op haar eigen vuist, droog te kreunen, - een zacht, gewond kermen, dat door geen tranen verlicht werd. Hij liet haar stil gaan, tegen zich aan, en als een dauw kwamen zijn eigen tranen, - om dit kind, - niet om Michaël.
Hij wist niet, hoeveel tijd er voorbij ging. Ze werd 214