gen, waar doelbewust het lot in handen was genomen, zou het anders zijn. Wachters waren er, jonge, koele wachters, en verdedigingswapenen waren er ook. De aanvallers wisten het en concentreerden hun aandacht op de weerlozen, - maar ze wisten het niet duidelijk genoeg.
Om beurten waakten ze over de nederzetting, de weerbare jongeren: in de wachttoren, - op het eigen terrein, - en daarbuiten. Er werden soms ’s nachts schoten gehoord, en de thuisblijvenden, die de eigen naasten van de wachters waren, - en was dat eigenlijk niet de hele gemeenschap? - schrikten op bij de schoten, maar wenden toch langzamerhand aan de geluiden, die zo vanzelfsprekend werden als het huilen van de jakhalzen in de nacht.
Tamar wende er niet aan, - niet in de nachten, dat Michaël buiten in het donker over haar en haar ongeboren kind, over de andere vrouwen en haar ongeboren en geboren kinderen, over de slapende werkers waakte. Te hevig was ze gebonden, - zij, die niet gebonden had willen zijn, nooit en aan niemand. Ze wende er niet aan, en ze wilde er niet aan wennen: elk schot kon haar ontnemen, wat ze eindelijk gevonden had.
Toen was er, een donkere nacht, een schot, dat haar ontnam, wat ze eindelijk gevonden had.