weten in. Ze houdt zó veel van je, dat ze alleen maar bang is je te verliezen, en in een huwelijk vreest ze je te verliezen. Hoe staat het met jou?”
Michaël bleef staan. In het maanlicht zag Joseph, die naar hem op moest kijken, de glimlach, die hem zijn jongensgezicht terug gaf.
„Dat weet je wel, vader.”
En na een kort zwijgen:
„Ik wil, dat het zo is als bij moeder en jou.” Joseph knikte.
„Zo wordt het ook.”
*
Ze gingen geloven, alle vier, dat het zo zou worden als bij Dina en Joseph. Tamar, met een roerend opgehouden schijn van toevalligheid, ontmoette Dina vaak in het werk en moest soms in ’t voorbijgaan hun kamer binnenlopen. Over de toekomst werd niet gepraat, noch over de zwangerschap; ze onderging alleen de ongezegde dingen, waarvan de ruimte in Dina’s en Josephs kamer vervuld was. Toen de tijd van lichamelijk onbehagen voorbij ging, kwam er weer meer kleur in Tamars gezichtje en meer glans in haar ogen.
Michaël was de weerspiegeling van wat er in Tamar veranderde. Ontheven van wat hem met zorg had vervuld, kwam hij vrij voor de vragen der ande-
209