Zonder een woord wachtte Joseph. Ze verlangde nu zelf immers niet meer naar vragen, nu ze begonnen was, de steen van de bron af te wentelen.
„Ze wilden elkaar graag genoeg kwijt, maar ze waren gebonden, - door mij. Ze hebben eikaars leven bedorven. Ze moeten toch ook vroeger van elkaar gehouden hebben, anders was het zo ver niet gekomen dat ze mij op de wereld hebben gezet.”
De naïeveteit van dit zelfstandige, radicale kind roerde hem. Omdat %ij het zonder liefde niet zo ver zou laten komen, geloofde ze erin, dat elk kind door liefde verwekt werd. Maar hij zei het haar niet.
„Daarom wil ik niet trouwen, - omdat ik gezien heb hoe het alles bederft. En tussen Michaël en mij mag niets bedorven worden. En als hij me maar het kind voor mezelf wou laten houden, - maar hij gelooft erin, dat we het samen kunnen hebben: man, vrouw en kind. Een gezin. Daar gelooft hij in. Zo onwetend heb jij hem gelaten.”
Nu lachte Joseph, een onhoorbare lach, die alleen in zijn ogen zichtbaar was. Ze keek hem aan, verbaasd.
„Waar lach je om?”
„Omdat jij de onwetende bent en niet hij. Hij weet, dat er een gebondenheid bestaat voor het hele leven, die de liefde uit de jeugd groter en groter doet worden. En in het beeld van die gebondenheid past het kind. Jouw kind.”
206