Joseph dacht: „ze houdt van de vader van het kind,” en zei:
„Denk nu niet aan de gebondenheid, die je niet wilt. Denk aan het kind zelf. Het is welkom, - het is ons allen welkom.”
Ze lachte kort.
„Dat zou je niet zeggen, als je eerst gevraagd had wie de vader is.”
„Het kind is welkom,” herhaalde Joseph. „Zoals ieder kind. Jij was ons welkom, twee jaar geleden, omdat je een belofte was voor de toekomst. Dat is je kind ook.”
„Waarom vraag je niet, wie de vader is?”
„Omdat we het nu over het kind hebben, waar jij je van wou ontdoen. De vraag van de vader komt later; eerst moet je begrijpen, waarom ik wil, dat je dit kind ter wereld brengt.”
Ze wachtte even, voorover gebogen als voor een aanval op een vijand. Toen hief ze het hoofd op, keek hem met uitdagende ogen aan, en zei schor: „Michaël is de vader. Het is je kleinkind.”
Ze zag, met wrang genoegen, dat hij even met de ogen knipperde. Het bleef een ogenblik stil. Toen hoorde ze hem herhalen, stil en langzaam en koppig:
„Het kind is welkom.”
Ze begon opeens te huilen, als een boos kind. „Waarom vraag je niets? Waarom vraag je niet, 204