komen. Haar korte blonde haar was dof en weinig verzorgd, en Joseph herinnerde zich ditzelfde meisje toen ze nieuw gekomen was: ogen vol verwachting, het kinderlijk-ronde gezicht omgeven door korte glanzend-gouden krullen. Hier werden de vrouwen mager, van hitte en arbeid, en de gezichten werden hoekig en verweerd, - maar bij dit kind was er meer dan de gewone verandering.
„Ik wil onderzocht worden,” zei ze, met korte directheid: „ik denk dat ik zwanger ben en ik wil weten of het zo is.”
Hij stelde zijn vragen en onderzocht haar en bevestigde, dat het zo was; ze moest in de tweede maand zijn, zei hij, en ze knikte: dat geloofde zij ook.
„Ik wil graag dat je het wegneemt, of dat je me zegt, wat ik er tegen kan doen.”
„Nee,” zei Joseph, „ik werk in dienst van het leven en niet in dienst van de vernietiging van het leven.” Ze keek hem vol aan.
„Ik wil dit kind niet. Ik wil me niet binden, - aan niemand.”
„Bedoel je: niet aan dit kind, of niet aan de vader van dit kind?”
Ze knipperde met de ogen als tegen een te fel licht.
„Ik wil niet door dit kind aan de vader van dit kind gebonden zijn op een manier, waarop ik aan niemand gebonden wil zijn.”
203