En met deze uitspraak betrad hij de treden, die naar de diplomatieke wereld leidden.
Toen hij zijn naam in het gastenboek moest schrijven, vroeg hij hulpeloos aan Spronk, of hij uit Utrecht of uit Palestina kwam.
„Uit Palestina, ezel,” siste Spronk; „ik schrijf toch ook niet ‘Zandvoort’ als ik daar toevallig in de zomervakantie logeer?”
En zo kwam het, dat de gezette heer in livrei, die bij de brede deuren van de ontvangzaal over het ceremonieel waakte, met luider stemme aankondigde: „Dr. Spronk, Utrecht. Dr. Prager, Palestina.” Palestina was geen gewoon woord in deze zaal, en vele gezichten wendden zich tot de binnenkomenden. Joseph voelde zich langer en magerder dan ooit, voelde de staarten van zijn geklede jas tegen zijn benen slaan en dacht met heimwee aan het krukje onder de volle uiers van Roechama, Cleopatra en al zijn vertrouwde koeien.
De nieuwbenoemde gezant wendde een rozig en zeer glad geschoren gezicht, waarin duidelijk herinnering daagde, tot Joseph. Met meer belangstelling dan eigenlijk geoorloofd was voor een jubilaris, die zijn aandacht over alle gasten gelijkelijk moest verdelen en dat ook meesterlijk deed, keek hij naar Joseph op en zei:
„Wat stel ik dit buitengewóón op prijs!”
Hij stelde hem aan zijn nog mooie, elegante vrouw
*97