hij zocht zonder een uitgestippeld doel. - Weet je, dat hij benoemd is tot gezant in Bern? Hij houdt zondag afscheidsreceptie. Ik zou zin hebben om je bij hem te vertonen, - waarachtig, daar zou ik zin in hebben!” „De vraag is, of ik er zin in heb!”
Zin of geen zin, - Spronk beschreef, met opvlammende dichterlijkheid, zó aantrekkelijk de combinatie van Prager-uit-de-koestal en de officiële gezantenreceptie in Den Haag, dat Joseph zwichtte. Eén laatste ontsnappingsmogelijkheid viel hem echter in.
„Ik heb er geen kleren voor.”
„Ik zou je graag in je colbertje binnenvoeren,” zei Spronk, „maar dat wil ik jou noch Keuning aandoen. Het zou ernstige gevolgen kunnen hebben.”
„Dus dan zien we er van af,” zei Joseph verheugd. „Waarachtig niet! Weet je niet, dat mijn zoon de student over een gekleed pak beschikt en net zo lang en mager is als jij ?”
Er was geen ontkomen aan. Met het gevoel of hij aan een maskerade deelnam, - en dat gevoel had hij in het teruggevonden Holland meer dan eens, - stak hij zich die zondag in overhemd en pak van de student Spronk en reed in de auto van de vader Spronk naar Den Haag, nog vaag protesterend dat hij zich zo ver had laten krijgen. Eer hij voor de brede trappen van het patriciërshuis uitstapte, zei hij gemelijk: „Mijn hemd is waarachtig het enige wat ik van mezelf aan heb!”
196