Geworden, - ieder, die je in je studententijd had gekend, was iets geworden; je werd weer helemaal jong, als je een ander vroeg, wat hij geworden was.
„Vrouwenarts. Alleen maar vrouwenarts. Dat met die gedichten is later overgebeterd.”
Ze lachten er samen om; zo kon je lachen om iets, dat vroeger geen scherts kon lijden. Zo vielen je haren uit, samen met je poëtische aspiraties, en om beide kon je lachen, - en dan kon je een soort vriendschap voor elkaar gaan voelen, terwijl je elkaar tussen de andere studenten nauwelijks had gekend, - een vriendschap, die alleen zijn oorzaak vond in een jaartal: het jaar van afstuderen.
Sindsdien kwam Joseph hem af en toe bezoeken in zijn rijke huis, en ze vertelden elkaar van die tussentijd, waarin haren grijs werden of uitvielen, waarin studentenwijsheid was toegepast en uitgebreid, waarin gezinnen waren gesticht en opgegroeid, en waarin de één tastbaar succes had gehad en de ander eigenlijk helemaal niet.
Eens vroeg Spronk:
„Was jij niet bevriend met die jurist, Keuning?” Joseph moest zich even bezinnen, zei toen: „Bevriend... nou ja, hij trok er af en toe met mij op uit. Ik heb eigenlijk nooit begrepen waarom. We liepen erg uiteen.”
„Ja, ik herinner me, dat niemand het ooit begreep. Je zult wel de enige geweest zijn, wiens vriendschap
*95