Soms leek het Joseph, alsof hij uit het hiernamaals terug gekomen was in een wereld, die eens de zijne was geweest, - of in elk geval zagen de anderen hem zo, die hem ontmoetten en hem afgeschreven hadden. Ze wisten niet goed weg met hem, ontdekte hij met vermaak; hij wist beter weg met het door hem afgeschreven leven, omdat hijzelf zijn levensgang in de tussenliggende jaren had meegemaakt terwijl de anderen hem, met levensgang en al, hadden overgeslagen. Dikwijls was het niet meer dan een belangwekkend experiment, de reactie van zijn tegenspelers waar te nemen,- soms was het een vreugde, enkele gezichten weer te zien.
Op zijn weg naar het werk ontmoette hij vaak een gezicht, dat herinneringen bij hem deed schemeren, maar de herinneringen waren te vaag om op de man af te durven vragen, wie de ander was. Tot de ander hem een keer staande hield en vroeg of hij arts was en in welk jaar aan welke universiteit hij had afgestudeerd. Toen lachte de ander en zei:
„Dan ben je Prager. Wij zijn jaargenoten.” Opeens daagde het bij Joseph dat deze man met het bijna kale hoofd eens wilde lokken had gehad, die met behulp van een strikdas hem een aureool van kunstenaarschap hadden gegeven. Hij herinnerde zich, dat zijn mede-student de medicijnen had gecombineerd met de fraaie letteren en zijn eerste vraag was: „O, Spronk, ben je arts of dichter geworden?”
194