ze goed. Ze zijn nu met de kleintjes uit wandelen voor hun zondagmiddag en ik pas op de winkel. Och, och, wat een toeval dat ik net hier ben.”
Joseph had elk van zijn tochtgenoten een appel in de hand gedrukt en had zelf de tanden in zijn goud-reinet gezet. Hier in huis moest hij een appel eten, een ongeschilde appel begerig opeten, zoals hij dat als jongen had gedaan. De twee anderen deden het hem na, zonder een andere smaak te proeven dan de geurige smaak van de appel zelf; de smaak van een vervaagd verleden ontbrak hun.
„Ik zou zo graag de huiskamer terugzien,” zei Joseph, nederig als een bedelaar.
„Gerust,” zei de vrouw. „Hij is keurig aan kant.” De meubels alleen waren anders, maar de venster-ruitjes en het plaatsje waren dezelfde gebleven. De twee bleven bij de deur staan, maar Joseph wrong zich tussen stoelen en kachel door en drukte zijn voorhoofd tegen de ruitjes. Het was misschien niet goed, dacht hij, herinneringen uit hun slaap wakker te roepen, maar deze kinderen hadden het nodig, - en hijzelf ook, bekende hij zich.
Het was een kwartier later, toen ze van de vrouw en het huis al afscheid hadden genomen en de auto door de oude straatjes zijn weg zocht naar de buitenwereld, - dat Joseph zich voorover boog naar de twee op de voorbank.
„Heb jullie die ramen met de kleine ruitjes gezien? 192