„Ik wou graag drie goudreinetten kopen,” zei hij tegen de al wat oude vrouw. „De grootste die er zijn.” De vrouw keek hem oplettend aan eer ze van achter het venster de drie grootste goudreinetten uitzocht. Toen ze ze in een grauwe zak deed, bleef ze Joseph aankijken, en terwijl Joseph zijn kleingeld bijeenzocht, vroeg ze opeens:
„Ben jij niet die jongen van Prager, die toen dokter is geworden?”
De beide jonge mensen keken elkaar aan met een lach om „die jongen van Prager”, maar Joseph knikte en vroeg verrast:
„Ja, - heb je mijn vader en moeder dan gekend?” „De lappenjood? Wie heeft hem niet gekend? Die zou nog liever de toppen van zijn vingers afgeknipt hebben dan dat hij een centimeter te weinig zou afknippen voor zijn klanten. Dat waren beste mensen, en het kwam hun toe, dat hun zoon zo goed kon leren.” „Ik heb deze twee hierheen gebracht om hen het oude huis te laten zien,” zei Joseph. „Hij is een zoon van mijn zuster Lina.”
„Die het zo ver geschopt hebben met de zaak?” vroeg de vrouw. „Och, och.”
Toen begon ze over zichzelf te vertellen: dat de kinderen in dit huis waren gekomen toen de oude vrouw dood was en dat ze een groentewinkel begonnen waren.
„D’r zit zegen in dit huis,” zei ze, „want het gaat
191