Ja, als hij, achter het stuur gezeten, maar uiteindelijk gedirigeerd door de man die de weg wist, zijn auto in die richting kon laten rijden, dan wilde hij graag de tocht ondernemen.
Ze spraken weinig onderweg. Toen ze het stadje naderden, was ieder ding voor Joseph zó vertrouwd en zó vreemd en veranderd tegelijk, dat hij helemaal het gesprek met de twee jonge mensen op de voorbank stopzette. Andries vroeg niet naar de weg in het stadje; met half dichtgeknepen ogen, terug turend in de herinnering van zeven jaar geleden, wist hij zonder vragen. Rondom het marktplein reed hij, en het eerste wat hij, kinderlijk teleurgesteld, zei toen de remmen voor het smalle huis knarsten, was:
„Er zijn geen lappen meer achter het venster.”
Nee: er lagen brons-gekleurde appels achter het venster, en een paar witte en rode kolen. De gordijnen waren, ondanks de zondag, niet neergelaten, ook niet het kleine rolgordijn achter de ruit van de winkeldeur. Daarom kon Joseph de deur openen: een opgetrokken gordijn betekende een open winkel.
Zijn stem was wat hees, toen hij, als een gewoontereflex, „volk!” riep. Hij moest zich even bezinnen om niet het bebrilde, wijze gezicht van zijn vader of het zachte, smalle gezicht van zijn moeder te verwachten, om niet teleurgesteld te zijn toen uit de huiskamerdeur een vrouwefiguur te voorschijn kwam die niet zijn moeder was.
190