zijn. Ze waren eigenlijk erg arm, deze heemloze kinderen, ondanks de auto die hen bracht waarheen ze wilden.
Zoals Joseph vroeger, in zijn studententijd, onbewust heersend had bepaald waar degene, die met hem samen wou zijn, heen moest trekken op tochten, die hij zich had voorgenomen te maken, zo besloot hij nu plotseling:
„Weet je, waar je auto ons vandaag heen moet brengen? Naar het huis van mijn vader en moeder, -van jouw grootouders. Hoe lang zal dat rijden zijn?” De jongen kon nauwelijks de plotselinge gedach-tenzwaai volgen. Hij herinnerde zich heel goed het smalle huis op de markt, - vijftien jaar was hij geweest toen zijn grootvader stierf, en bij zijn grootmoeder in haar eenzaamheid, die ze zelf had begeerd, was hij ook nog een keer geweest, - maar dat leek in niets op een eigen tocht in een zelfbestuurde auto naar een huis, waar geen van de beide oude mensen, wier beeld aan ’t vervagen was, meer leefde. Hoe lang het rijden zou zijn? Niet zo heel lang van hier uit, misschien een uur, anderhalf. Maar zijn gezicht drukte een vraag uit, die door Joseph werd verstaan.
„Het spaart me veel uitleggen, als ik jullie meeneem naar het huis, waar de grondslag is gelegd van dat, wat jij in me zoekt.”
Wat zocht hij in zijn oom, vroeg de jongen zich af. Een wijzende hand in de richting van de vrijheid. -
189