woonde toen al op een kamer in Utrecht en bezocht de veeartsenijschool met grote regelmaat en intensiteit, - toen op zondagmorgen diezelfde jongen uit een auto stapte en bij hem aanbelde. Hij was samen met een klein, mager, donker meisje, dat hij dadelijk naar voren schoof met de woorden: „Dit is Betty, mijn meisje. Ik heb haar meegebracht om u te ontmoeten.”
Joseph voelde het als een eer, dat Andries dit meisje zonder nadere aankondiging bij hem binnen had gevoerd. Dus dit was het meisje, dat door Lina onder de categorie „moeilijkheden” werd gerangschikt: een ernstig, beslist gezichtje, - een beslistheid, die uitgedrukt werd door de jonge, gave mond en de open blik, en geaccentueerd door de omlijning van het gezicht door kortgeknipt glad-glanzend zwart haar. Ja: in de omgeving van Andries’ ouderlijk huis mocht ze inderdaad als „moeilijkheid” gerekend worden, want nooit zou ze zich onderwerpen aan de reeks van verplichtingen, die dat huis aan zijn bewoners oplegde.
Ze was stil, zonder verlegenheid; een rust-ver-spreidende stilte. De beide jonge mensen voelden zich thuis in de toch zo onpersoonlijke gemeubileerde huurkamer; omdat ze bij Andries’ ouders geen thuiskomst hadden en het meisje zelf geen ander thuis had dan een met een ander werkend meisje gedeelde kamer, was het een ongekend gevoel, ergens thuis te