ze al gauw te praten over de sociale verplichtingen, die hun positie meebracht. Een paar maal kwam de uitdrukking te voorschijn „je kunt dan niet achterblijven”, en in stilte nam Joseph zich voor, een bedevaart te maken naar het marktplein in het kleine provinciestadje, naar het smalle winkelhuis, waar ze wèl konden achterblijven en waar ze geen sociale verplichtingen hadden gekend.
In de loop van de avond kwam hun oudste zoon thuis; hun dochter was een half jaar geleden getrouwd, - heel goed getrouwd, - en woonde in een andere stad. „Ja, kleine kinderen worden groot,” had Lina gezegd, toen ze van haar twintigjarige getrouwde dochter vertelde.
Joseph keek verrast in het fijne, iets gevoelige gezicht van de jonge man. Er was iets heel verwants in hem, en de jongen scheen dat ook in Joseph te zien, want de blik, die ze wisselden, was meer dan een blik van kennismaking, - het was een blik van herkenning. Misschien herinnerde hij zich hem van vroeger; hij was immers al negen jaar geweest toen ze weg gingen, - een gewone schooljongen van negen jaar.
„Herinner je je mij ?”
„Vaag. Maar ik heb later veel gelezen over de oplossing, die jullie daar gevonden hebt.”
Het was zó verrassend, in deze omgeving over zijn zelfgekozen leven te horen spreken als over een oplossing, dat hij de hand uitstak en met zijn lange, 184