gelucht als een kandidaat door een nader-verklarende vraag van de examinator.
„Ik bedoel: jij, als dokter.”
„Ik behandel de zieken, en als er niet extra veel zieken zijn melk ik de koeien.”
„Dan kan het toch nooit een grote praktijk zijn,” zei Sander, de onderkin teruggetrokken tegen de boord, als in verwijt.
„De laatste jaren zijn we gelukkig nogal gezond.” „Brengt zo’n praktijk dan genoeg op om van te leven?”
Joseph dacht: „we spreken in Chinees en Deens; ik moet trachten, me te vertalen,” - en met jongensachtige ernst zette hij uiteen, dat de gemeenschap kon leven, - soms meer, soms minder, - van wat alle handen samen verwierven.
„Maar zo kun je er toch nooit op vooruit gaan,” zei Sander, met een onbewust gebaar naar de omringende weelde.
„Toch wel,” zei Joseph. „De getrouwde paren wonen bijvoorbeeld al allemaal in een huis of een houten hut, en eerst woonden we in tenten.”
Sander legde joviaal een hand op Josephs gestrekte been.
„Als jij er maar tevreden mee bent,” trachtte hij hem te begrijpen. „We leven in een vrij land, hè?” Maar zo heel vrij was dat land waarin ze leefden toch niet, want toen Lina bij hen kwam zitten, kwam
183