maar later had Lina hem zelf naar de logeerkamer gebracht, waar zijn koffer al was neergezet. De molligheid van de tapijten, de rijkdom van glas en licht en glanzend hout en velours had hem meer bezwaard dan ooit de bekrompenheid van een tent hem had kunnen bezwaren. Maar Lina scheen er zich op haar plaats in te voelen, en dat was hoofdzaak. Ze leek te wachten op een woord van verbazing, en daarom zei hij maar: „Wat een prachtige kamer!”
Nu zaten ze uit te rusten van de overvloedige maaltijd en Joseph strekte de lange benen ver de kamer in, omdat hier niet één stoel hoog genoeg was om zijn benen een aannemelijke houding te veroorloven; de hogere stoelen stonden in de eetkamer rondom de tafel, - hier, in de zitkamer, was op Josephs formaat niet gerekend.
„Hoe leven jullie daar?”
Joseph keek in de goedige ogen van zijn zwager, die, door de uitgezakte wallen er onder, moe en oud leken. Hij zag, dat hij hem wat goeds wilde aandoen door zijn belangstelling, maar dat de inhoud van het antwoord er niet zo erg op aan kwam. Terwijl hij nog zocht naar een oplossing van de onmogelijke taak, in korte woorden naar waarheid te zeggen hoe ze daar leefden, kwam Sander hem te hulp met de aanvullende vraag:
„Waar leven jullie eigenlijk van?”
„Van landbouw en veeteelt,” zei Joseph vlot, op-182