Hij bedoelde Dina, en niet zijn zelfstandige Chaia, die al een werkkracht in de kibboets begon te worden waarop gerekend werd.
Michaël, de jonge reus met de gespierde handen, knikte hem bemoedigend toe. En met die knik als teerkost voor de weg ging hij op reis.
*
„En, vertel eens,” zei Sander van zijn fauteuil uit, „hoe leven jullie daar?”
Ze hadden hem met veel hartelijkheid binnengehaald, Lina en Sander: hun eigen auto wachtte hem aan de trein op, en het rijke stadshuis stond voor hem open. Lina had een beetje gehuild, toen ze hem weerzag en Joseph had haar op de schouder geklopt en zich ouder gevoeld dan zij. Hij had haar maar met moeite herkend in de statige, wat zware, goed-ge-klede en goed-geconserveerde vrouw van middelbare leeftijd en in gedachten had hij haar vergeleken met haar vroegere vriendin Dina, in haar werkkleren bezig de vloer van het baby-huis te dweilen, het grijzende haar onder een hoofddoek, het smalle, verweerde gezicht in concentratie gebogen over al wat ze deed. Het lot had twee vriendinnen wel naar héél verschillende werelden verwezen.
Een zwart-gekleed dienstmeisje had hem zijn jas afgenomen in de vestaire naast de marmeren hall,
181