steken bij de Hollandse veeartsenij, waarbij hij misschien ook wat te weten kon komen over de moderne zuivelbereiding.
Er waren wel eens meer leden uitgestuurd voor het algemene belang; dan bleef het gezin in de hoede van de kibboets achter, en het wachten op de terugkeer werd vergemakkelijkt door de gemeenschappelijkheid ervan.
„Vind je ’t moeilijk?” vroeg Joseph, toen hij met Dina alleen was nadat het besluit was gevallen.
Dina streek hem over de grijzende haren.
„Welnee,” zei ze dapper. „Het is anders dan toen, in Jeruzalem, met de kleine kinderen en helemaal alleen.”
„Maar deze keer duurt het langer dan toen,” waarschuwde hij.
„We zullen elkaar kunnen schrijven, en dat konden we toen niet,” troostte ze zich en hem. Want het vreemde feit bestond, dat de postverbinding met het buitenland zekerder was dan die in het land zelf, - al was er natuurlijk in de loop van dertien jaren ook in de binnenlandse reis- en postmogelijkheden vooruitgang te merken.
„Wat bèn je toch voor een vrouw!” zei hij trots en verbaasd, - verbaasd na meer dan twintig jaren!
Maar bij het afscheid zei hij toch tegen volwassen, negentienjarige Michaël: „Pas maar een beetje op haar.”
180